
Verzorging en kweek van de Tuinboa (Corallus hortulanus)
door Sven Willemsens
Inleiding
Tot het geslacht Corallus, behoren 3 soorten. De eerste soort en meteen de bekendste
is natuurlijk de hondskopboa, Corallus caninus. De tweede is Corallus hortulanus,
en de laatste is ook de zeldzaamste: Corallus annulatus.
Corallus caninus is de mooiste en bekendste van de 3 ondersoorten, maar ook de duurste en zeker NIET de gemakkelijkste.
Corallus annulatus is de zeldzaamste. Ze wordt zelden gehouden en ook de kweek schijnt veel moeilijker te zijn dan bij de andere ondersoorten.
Corallus hortulanus is de gemakkelijkste te houden en te kweken ondersoort. Het enige nadeel van de dieren is dat ze vrij agressief zijn, dat ze heel mooi zijn als jongen, maar met het ouder worden veel van hun kleurenpracht kunnen verliezen.
Mijn artikel gaat over de laatst beschreven soort, Corallus hortulanus, de gemakkelijkste van de 3. De info uit mijn artikel kan ook gebruikt worden bij de verzorging van de andere soorten, maar gezien die veeleisender zijn qua verzorging, is het toch beter om daar gespecialiseerde literatuur en artikels over te verzamelen.
Voorkomen en gedrag in het wild
De 3 ondersoorten van Corallus komen voor in de Zuid-Amerikaanse regenwouden.
Het zijn allen boombewoners. Iets wat dus blijkt uit het voedingsgedrag. Voornamelijk
vogels en hagedissen, maar toch ook vaak (boombewonende) zoogdieren. In vergelijking
met Corallus caninus zijn de beide andere ondersoorten vrij actief, een gedrag
dat ook in het terrarium merkbaar is. Dit zijn allemaal zaken waar we ook in
het terrarium rekening mee moeten houden.
De dieren
Ik heb momenteel een koppeltje van Corallus hortulanus. Het mannetje is wildvang,
het wijfje is nakweek. Ik heb de dieren momenteel 3 jaar in mijn bezit. Ze zijn
als volwassen dieren aangekocht. Beide slangen zijn grijs tot bruingrijs met
een ingewikkeld vlekkenpatroon, dat erg kan verschillen van dier tot dier. Beide
slangen zijn tussen 1.60 m en 1.80m, wat een normale lengte is voor Corallus
hortulanus. In tegenstelling tot Corallus caninus en de meeste boasoorten is
de Hortulanus een erg slanke slang. Wat niet wil zeggen dat het geen sterk dier
zou zijn. Als ze rond een tak gewikkeld hangen, is het erg moeilijk om hen los
te krijgen. Iets wat bij jonge dieren zelfs tot kwetsuren en misvormingen kan
leiden als dat niet met de nodige voorzichtigheid gebeurt.
Verzorging
Mijn dieren worden tegenwoordig apart gehuisvest in grote, hoge terraria. Deze
zijn ingericht met een aantal stevige takken en veel plastic planten. Er is
steeds een grote waterbak aanwezig en ook wordt er regelmatig gesproeid. 2 tot
5 keer per week. Ik hou de dieren nu apart (beter overzicht tijdens het voeren
etc). Maar normaal geeft het geen probleem om de dieren samen te houden. Het
scheiden van de geslachten is zelfs niet noodzakelijk om de voortplanting te
bevorderen. Mijn dieren krijgen weinig te eten. Eens per 2 à 3 weken
een halfvolwassen rat, of volwassen hamster, of veeltepelmuis. Dit om 2 redenen:
ten eerste is Corallus hortulanus een erg slanke boa, maar met een voorkeur
voor grote prooien. Mijn dieren hebben 1 keer volwassen ratten gekregen en hadden
er geen moeite mee. En ten tweede omdat de dieren van nature niet erg actief
zijn. Actiever dan de hondskopboa, maar na een maaltijd liggen ze toch nog ongeveer
een week opgerold op hun tak te verteren. Ik sproei mijn dieren gemiddeld 2
keer per week. Behalve tijdens het paarseizoen en tijdens de vervelling dan
is dit dagelijks, uitgezonderd het weekend. Corallus zijn zoals eerder vermeld
regenwoudbewoners en hebben dus een vochtige omgeving nodig. Nu kan het voor
Corallus hortulanus geen kwaad dat ze droger worden gehouden. Ik heb dit zelf
gedurende een half jaar gedaan, zonder dat de dieren er onder leden. Alleen
tijdens de vervelling MOET er wel gesproeid worden omdat deze anders wel problematisch
zal verlopen.
De kweek
Het staat vaak beschreven dat er voor de kweek van Corallus hortulanus zelf
geen stimulans zoals licht-donkercyclus of een vochtige periode nodig is. Toch
is het beter en natuurlijker dit te doen. Ook met het oog op een duidelijk overzicht
van ovulatie, paring, dracht en geboorte.
Ikzelf gebruik als stimulans dezelfde als voor al mijn boidae, een hogere vochtigheid
gedurende ? 2 maanden en een verandering in temperatuur. Ik laat gedurende de
winterperiode de dagtemperatuur dezelfde (27-30 °C) maar de nachttemperatuur
laat ik tijdens die periode dalen tot 18-20°C. Tijdens de afkoeling mogen
de dieren bij elkaar en kunnen er vaak ook al paringen waargenomen worden. Maar
de eigenlijke piek van de paringen ligt rond de periode april-mei. Ik plaats
de dieren samen op het einde van de afkoeling in januari voor een paar weken.
Waarna ze terug gescheiden worden en weer samen geplaatst vanaf maart. Hierna
blijven ze samen tot juni. Tijdens deze periode worden ze enkel gescheiden om
te voeren. Ik heb nog nooit paringen gezien bij mijn slangen, enkel schijnparingen.
Daarom vermoed ik dat de paringen hoofdzakelijk ’s nachts gebeuren. Omdat
de dieren dan actief zijn en ook heel agressief, is het niet echt gemakkelijk
die theorie te bevestigen. Als de paringen succesvol zijn, en het vrouwtje drachtig
is stopt ze met eten. Dit was bij mijn dier niet het geval, zij bleef de eerste
maanden gewoon dooreten, enkel de laatste anderhalve maand stopte ze volledig.
In die periode besloot ik wel kleiner prooien te geven om ze niet te overbelasten.
De dracht is goed vast te stellen, omdat het om een slanke slangensoort gaat.
De zwelling van de ovulatie en in een later stadium de jongen is dan duidelijk
merkbaar. De dracht duurt zoals bij alle boasoorten vrij lang, met name tussen
de 200 en 250 dagen. Waarna er onmiddellijk levende jongen worden geboren. Bij
Corallus hortulanus kunnen dit tot 20 stuks zijn. Bij mijn vrouwtje waren het
er 8 en 1 doodgeboren.
De jongen
Zoals al eerder vermeld zijn de jongen vaak erg fel gekleurd en kan er binnen
1 nest erg veel variatie zitten. Bij mijn dieren waren 6 jongen grijsbruin met
een feloranje lengtestreep en een exemplaar was lichtgrijs, het laatste was
geel. De diertjes werden elk apart gehuisvest in een plastic terrarium met een
klimtak en een drinkbakje. De bodembedekking bestond uit mos. In de eerste periode
na de vervelling wilde geen van de jongen eten. Toen er op een gegeven moment
3 stierven (de kleinsten) besloot ik het anders aan te pakken. Het mos ging
eruit en in de plaats kwam een laagje van 2 cm water. Ook kwam er in elk bakje
een bloempotje met een plantje erin. Deze methode bleek te werken, want hoewel
de diertjes eerst nog moeilijk waren op gebied van eten, vond ik daar ook iets
op. Als ik het water uit het bakje deed en op de bodem een levend muisje van
2 tot 3 weken plaatste werd dit door 3 van de 5 overgebleven slangetjes gegeten.
Eerdere pogingen met dode muisjes lukten niet. Toen de diertjes droger en op
mos gehouden werden, wilden ze levend noch dood accepteren. Misschien vonden
ze de prooi niet, die zich vaak in het mos innestelde. Hoewel dat moeilijk te
bewijzen valt. Uiteindelijk zat ik nog met 2 jongen die niet wilden eten. Ik
ben geen voorstander van dwangvoeren, zeker niet bij Hortulanus omdat als je
een beetje te ruw bent, je het diertje serieus kan beschadigen. Daarom besloot
ik maar om een aantal hagedisjes te kopen en die bij die koppige beesten te
zetten. Met goede resultaten want beide beestjes hadden de volgende morgen gegeten.
Wanneer de jongen goed gevoerd worden, zijn ze op 3 à 4 jaar geslachtsrijp.
Algemeen
Vroeger was Corallus hortulanus bekend als Corallus enhydris. En dit met 2 ondersoorten.
Corallus e. enhydris en Corallus e. cooki. Ik heb gehoord dat dit onderscheid
nu is weggevallen, maar toch is er een verschil tussen beide variëteiten.
De voortplanting ligt namelijk anders! De vroegere Corallus enhydris enhydris
heeft de paringspiek in april-mei met de geboorten in september, oktober en
november, terwijl bij Corallus enhydris cooki de paartijd in december tot februari
valt met de geboorten in juni en juli. Dit is wel belangrijk met het oog op
eventuele kweek! En mag volgens mij zeker niet onderschat worden.
Slot
Corallus hortulanus is misschien een agressieve soort en niet zo mooi als andere
boidae, maar ik vind ze toch zeker de moeite waard. Ze is niet erg veeleisend
en ook de kweek is vrij eenvoudig. En hoewel volwassen dieren vaak donker zijn,
hebben ze veelal toch mooie tekeningen. Trouwens, veel van de nakweek dieren
zijn erg mooi gekleurd, wat vaak tot gevolg heeft dat ze als volwassen dieren
ook feller zullen blijven. Zulke dieren zijn zeker de moeite waard om in je
collectie te hebben.